Bacalhão

Tiago moest de volgende ochtend vroeg opdraven voor de rechtbank in Penha Dorada, 200 kilometer verderop boven in de bergen. Het zou er koud zijn, wellicht ging het zelfs sneeuwen en werden de wegen onbegaanbaar en zijn cliënt was toch een ondankbaar stuk vreten. Na het avondeten zoende hij zijn vrouw met lichte tegenzin vaarwel en overwoog heel even lekker in Santa Comba Dão bij zijn vriendin in bed te kruipen; die had net als zijn vrouw ook puistjes en een zweem van een snor, maar nog geen vetrollen en ze waste zich tenminste regelmatig. Hij zette die gedachte aan de kant en stuurde zijn Audi naar het Noorden om nog voor het vallen van de nacht aan te komen in het hotel en de zaak nog wat voor te bereiden. Zachtjes neuriede hij tiereliereliere, tierelierelom.

Na een uur en reeds flink hoog in de bergen begon het te regenen en toen te ijzelen en na nog wat voortgeploeterd te hebben gaf hij de pijp aan Martinho, stopte zijn Audi voor de eerste de beste Albergaria, stromphuivelde naar binnen en bestelde zich met beslagen brillenglazen meteen een dubbele brandy om op te warmen, boekte een kamer en keek om zich heen. Een man zat bij de deur en staarde naar de vloer, een leeg glas voor zich; Tiago’s wijsvinger wees naar het glas: nog een brandy maar; drie mannen stonden aan de bar en praatten over voetbal; een groepje zat bij de open haard en voerde een verhit gesprek over Salazar, stokvis met kool, de goeie ouwe tijd in het leger en Duitse hippies die in de bergen woonden; nog een brandy maar. Zijn brillenglazen waren weer doorzichtbaar en tenslotte viel de blik van Tiago op de waardin en hoewel zij niet onknap en ook niet onlelijk was, gewoontjes zoals alle Portugese vrouwen, had ze toch iets aantrekkelijks en lachte ze aanstekelijk naar hem. Hij nam nog een dubbele brandy en toen de klanten waren vertrokken nog een. Tierelierelazarus.

“Hoe heet je eigenlijk” vroeg Tiago aan het hoofd van de waardin naast hem op het harde kussen, hoewel het hem eigenlijk niet interesseerde. “Fatima”, zei ze en rolde het bed uit. “Ik zal je ontbijt klaarmaken”, zei ze nog en was verdwenen. Hij keek op zijn horloge, zag dat hij misschien nog net op tijd zou kunnen zijn en keek naar buiten in het donker, waar het niet meer sneeuwde. Hij kotste een beetje onder de lauwe douche en schoot snel in zijn al wat vaal wordende zeer donkergrijze advocatenpak. Snel de koffie en een broodje dan maar. Beneden komend wachtte hem een zware beproeving. De lieve waardin had hem een extra lekker hapje bereid, het opgewarmde restje bacalhão van gisteren. Tierelierelekkerman.

Graatje !bij advocaatje

Tierelierelijk.




Gert
2012, 2014