Maria en Zé

MARIA GRAÇIA

Ze kwam ter wereld op een zonnige zondagochtend. De weiden geurden van de lentebloemen en de jonge geitjes dartelden vol levenslust – niet bevroedend dat ze over enkele maanden in de Chanfana zouden smoren in olijfolie en rode wijn.

Haar ouders waren dertigers en mooi en woonden in een van de meer comfortabele huizen van het dorp, vlak bij zijn ouders, handig als ze geen zin hadden om te koken. Mama kwam van een gehucht in de noordelijke bergen, begon als onderwijzeres in het dorp en ontmoette op de eerste werkdag haar toekomstige man, die bij de gemeente werkte. Kort daarop kreeg ze een droombaan in de stad bij een makelaar, waar zij haar kennis van de Engelse taal kon gebruiken bij de lucratieve verkoop van authentieke huizen aan Engelse pensionados, Hollanders en Oost-Europeanen. Het was hard werken. Papa had meer vrije tijd, die hij doorbracht met voetballen, bij de vrijwillige brandweer en bij zijn ouders; zijn moeder kookte, waste de kleren en knipte zelfs nog zijn teennagels.

De bruiloft was feestelijk en zonovergoten geweest, maar er was geen tijd voor een huwelijksreis. Na een paar maanden zwol zowel de buik van ma als die van pa, echter om verschillende redenen. Na de vlekkeloos verlopen bevalling kreeg zij min of meer haar oude figuur terug - hoewel het boerse eten van schoonma op den duur ook hier de nodige vetrollen zouden vormen - zijn buikomvang nam gestaag toe.

Maria Graçia werd gedoopt in de kapel van het dorp, het feest was geweldig, de pastoor dronken en de bakker viel van de berg en kon 2 weken niet kneden. Papa ging minder werken om voor de kleine te zorgen, mama keerde terug naar haar carrière. Oma bereidde het eten en ving de peuter op na school, papa waste haar, poetste de tanden en stopte haar in bed. Zo verstreken de jaren en Maria bleef enig kind; er werd in het dorp wel gemompeld dat mama teveel met haar werk bezig was en dat ze geen zin meer had in de dikke pens van haar echtgenoot, maar dat kwam vaker voor. Papa bleef Maria wassen, haar tanden poetsen en in bed stoppen.

Maria Graçia werd een beeldig schoolmeisje en een mooie tiener, hoewel er soms een floers over haar gelaat trok en ze even haar prachtige krullen schudde en fronste als iemand haar onverwacht beroerde. In het weekend hielp ze de slager, die zich verbaasde dat ze geen schroom had bloederige lappen vlees met het hakmes te bewerken. Ze was net 17, het was zomer en feest op het kerkplein ter ere van Nossa Senhora da Piedade; de wijn was zoet, de sardientjes zout en ze danste - met andere meiden maar niet met papa.

ZÉ MANUEL

Het was de dag dat Pius de 13e gekozen werd tot nieuwe paus. Onweerswolken pakten zich samen boven het dorp en het was kil en vochtig in de stal waar Zé (José officieel) Manuel te vroeg geboren werd. Zijn moeder was in het schemerduister met de geiten bezig, kraakte een door houtworm aangetaste afscheiding, viel tussen mest en stro en klaarde de bevalling in haar eentje.

Toen hij 7 was, viel zijn vader op een snoeihete dag bij het plukken van olijven door overmatig wijngebruik ruggelings uit een boom en brak zijn nek. Zijn moeder kreeg het zwaar en liet de opvoeding van Zé over aan de schooljuf en de pastoor. Deze laatste had weliswaar een huishoudster, maar wijdde zijn aandacht vooral aan de koorknapen.

Na school hielp Zé Manuel met zaaien, wieden en water geven op de karige akkers achter hun schamele onderkomen; hij oogstte patatten en uien en dorste de maïs; hij plukte de druiven, perste ze tot matige wijn en stookte van de pulp een koppige aguardente. Maar het liefst was hij bij de geiten, in de heuvels of in de stal, waar de warmte en de geur hem behaagden. Na de avondmaaltijd, meestal koolsoep met brood, vond hij onder moeders rokken dezelfde geborgenheid als bij de geiten.

Zaterdagavond en zondagmiddag was hij bij de pastoor. Omdat hij onmenselijk stonk, deed meneer pastoor hem eerst in de kuip en schrobde hem van top tot teen. Onder het habijt van de pastoor hervond Zé Manuel de warmte en geuren van thuis, die van zijn moeder of die van de geiten in de stal.

Op zijn 13e had Zé Manuel zijn eerste eigen seksuele ervaring bij het terugdrijven van de grootste en meest weerbarstige geit in haar hok. Hij trilde op zijn benen, moest zich vastgrijpen aan een houten afscheiding en zeeg toen neer in mest en stro, precies op dezelfde plek waar hij ter wereld was gekomen.

Kort daarop werd hij uit het kerkkoor verbannen, ging ook niet meer naar school en vervuilde langzamerhand zo erg dat men hem de bijnaam Zigane toediende. In deze toestand en op 18-jarige leeftijd klauterde hij op maandagavond naar de heuvel waarop het vierdaagse feest ter ere van Nossa Senhora da Piedade besloten zou worden. Hij at brood met gegrilde sardientjes, danste niet maar keek van terzijde met zijn zwarte ogen naar meisjes en jongens, vrouwen en mannen, die al dansend langzaam dronken werden.

MARIA & ZÉ

De volle maan verdween fluks achter dichte wolken, het werd klam en benauwd; een voor deze tijd ongebruikelijk harde onweersflits scheurde de hemel open en warme dikke druppels maakten een vroegtijdig einde aan het feest. Bezweet en onvast ter been liep Maria naar de zijkant van het feestterrein, stuitte daar op Zé en trok hem mee naar het stro in zijn geitenstal . Nog geen minuut later strompelde ze naar huis, gooide een emmer water over haar heen en deed de deur van haar slaapkamer op slot. Zé haalde een hand door zijn zwarte krullen en bracht de nacht verder door in de stal.

De bruiloft was 2 maanden later en snel in elkaar geflanst, er waren maar 30 gasten. Maria Graçia had haar beste jurk aan, Zé Manuel had van de buurman een colbert geleend dat hem te wijd was. De moeder van Zé keek met primme ogen in het rond, klaar om eenieder van repliek te dienen, die het zou wagen een minder gepaste opmerking te maken. De papa van Maria en meneer pastoor dronken samen menig glas en wierpen af en toe steelse blikken op het bruidspaar – het gaat zoals het gaat en het is goed. De mama van Maria kletste aan één stuk door met een Hollands paar dat sinds kort in het dorp woonde en dat genoot van de onschuld en eenvoud der mensen en niets merkte van datgene wat de anderen wel wisten of vermoedden, maar waartoe men hardnekkig het zwijgen deed.

Het jonge paar betrok een leegstaand in verval geraakt huis, pal naast dat van Zé’s moeder. Maria knapte de boel wat op en ging door met haar werk bij de slager, Zé Manuel werkte in hun tuin en die van zijn moeder en voor de buitenwacht zag het er gewoontjes uit, hoewel sommigen repten van onduidelijke geluiden uit het huisje in de nachtelijk uren. Het leven in het dorp ging zijn gewone gang.

Overdag zagen de twee elkaar nauwelijks. ‘s Avonds achter dichte luiken verdween op stel en sprong de gezapigheid en liet Maria het ervaren hoofd van Zé toe onder haar rokken en een enkele keer ook zijn robuustheid. Verder geriefde Zé zich zoals hij gewend was in de geitenstal. Dit duurde tot de baby geboren werd. De dag erop verbande Maria haar echtgenoot naar de stal. Een week later zag ze op een middag Zé uit de slaapkamer komen, waar ook de baby sliep. Ze nam het keukenmes, volgde hem naar de geitenstal van zijn moeder en op de plek waar hij ter wereld kwam verliet hij die ook. Ze stak één enkele keer. De volgende ochtend ging ze onbewogen naar de politie. Die vond geen spoor, geen dader.

Maria en haar dochter keerden 22 jaar later in het dorp terug toen alle ouders en de pastoor dood waren en zij trouwde een schriele Belg.