PECH

De rook van de ochtendvuren waarop vrouwen het maisbrood bakten vermengde zich met de kille nevel die als een sluier van de heuveltoppen neerhing en de vallei bedekte. Het was eind december, de grond was bedekt met rijp, de aarde hard en korzelig, van de eucalyptus hingen vellen bast langs de stammen naar beneden.

Tot op het bot verkleumd probeerde Fernanda tevergeefs op te staan uit de wirwar van omgevallen mimosabomen, waarin de rechtervoet gisteravond beklemd was geraakt. Geen gewrik mocht baten, een schreeuw verdampte tussen de struiken - de huizen waren te ver. De ganse dag lag Fernanda daar, het bloed op hoofd en armen was al geronnen en had de kleur van de omgeving aangenomen. De nacht viel, een ster verscheen aan de oostelijke hemel, het zou een bitterkoude nacht worden.

Het was allemaal bij de geboorte begonnen. De moeder van Fernanda wist niet dat ze zwanger was, pa was naar het noorden vertrokken om geld te maken en keerde nimmer weerom en toen ze tijdens de olijvenoogst uit de boom viel en in het hospitaal in de stad lag, kwam meteen Fernanda eruit. Buurvrouw deed aangifte, de ambtenaar schreef slordig en zo kwam het dat het kleine jongetje de meisjesnaam Fernanda kreeg. Pech. Zijn moeder noemde hem wel Fernando en later probeerde ze nog de naam te veranderen, maar daar waren 9 formulieren voor nodig met handtekeningen en verklaringen en verder dan 3 kwam ze niet.

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog groeide Fernanda op in het dorp, doorliep in 5 jaar tijd drie klassen, liet zijn krullend haar groeien als een meisje, werd geregeld gepest en deed erg zijn best om verder niet op te vallen. Het waren jaren waarin schaarste en armoede heersten op het platteland van Portugal. Amalia zong haar lied “In een Portugees huis staat altijd brood en wijn op tafel”. Maar dat was het dan ook wel en velen hongerden onder de krapte. Salazar stuurde geld en mannen naar de koloniën om de waan van Portugal als wereldmacht in stand te houden.

Toen Fernanda de leeftijd bereikte waarop jongens de meisjes de struiken in lokten, deed hij daar niet aan mee, hij kreeg een snor en geen borsten, meisjes lieten hem koud, dus knipte hij zijn haar weer kort. Niemand merkte hem op, hij hielp met iets of hij was er niet. Zijn moeder overleed in een kille winter aan longontsteking of aan iets anders, werd begraven en vergeten. Fernanda bleef in het onverwarmde huisje wonen, deuren en ramen zakten in en het dak lekte. Pech. Gelukkig pasten zijn moeders laarzen hem en van een buurman droeg hij een oude broek.

huis fernanda   dorp fernanda     











De tijd schreed voort, het regime werd aan de kant geschoven en de Anjerrevolutie leek voor betere tijden te gaan zorgen. Een linkse lente gloorde in Portugal, maar dat bleek van korte duur. In het gehucht van Fernanda waren al die veranderingen nauwelijks doorgedrongen, men probeerde net als altijd het hoofd boven water te houden. Het ene jaar waren er meer olijven dan het andere en men sprak over de wijn die beter of minder was. Fernanda bleef onopgemerkt, was inmiddels de veertig gepasseerd en kreeg een vaag vermoeden dat er meer moest zijn dan brood, wijn, olijven en die merkwaardige kriebels in zijn kruis als het lente werd. Hij besloot opmerkelijk genoeg iets te gaan ondernemen. Hij zou eindelijk de pech overwinnen.

Er was een vrachtauto in het gehucht verschenen, de chauffeur had in het leger gediend en vertelde over zwarte mensen, slangen, malaria en dampende hitte, maar daar kon Fernanda zich niets bij voorstellen. De man sprak ook van kameraadschap en mannenbroeders en floerste daarbij een nimmer meer hervonden geluk, dat Fernanda zo verwarmde, dat hij dat ook wilde. Hij had geen idee hoe, maar het was Afrika, daar moest hij heen. Het dorp maakte zich op voor weer een Kerst met kaarsen, de pastoor zou spreken over liefde tussen man en vrouw, liefde van God en geluk en welbehagen. Fernanda wist nu waar dat laatste te vinden was.
          
Hij deed plastic zakken over zijn sokken in de oude laarzen, trok al zijn kleren aan, deed een half brood en een karaf wijn in een zak en ging vroeg in de ochtend op weg naar het zuiden - over de bergen zou hij trekken. Hij had tegen niemand iets gezegd, ze zouden hem toch niet missen. Hij trok over drie rivieren en twee bergketens door onbekend gebied, zocht tegen de avond een slaapplek, het werd al donker. In de verte gloorde een licht, hij strompelde een overwoekerd bergpad af en raakte toen met een voet beklemd in de omgevallen mimosabomen en viel hard met zijn hoofd op koude rots. In het oosten verscheen een heldere ster aan de hemel, maar Fernanda zag het niet. Pech, dacht hij nog wel vaag voordat hij half bewusteloos raakte.

kerstboomnevelbergen












Gert 2012, 2014